Vroeger was alles beter

Pim Fortuyn zette het verleden als lichtend voorbeeld op de kaart, de jaren 50 waren zijn ideaal. De opportunist bespeelde er de kiezer mee, want voor hemzelf was zo’n perspectief niet prettig, terug in de kast om te beginnen. En niks dik betaalde spreekbeurtjes voor de jaren 50 zakenlieden. In die jaren was de smaak voor het type auto’s en kleding die Fortuyn had not done, iets voor parvenu’s. Maar de kiezer die hij bespeelde wist goed wat hij bedoelde, het waren de jaren van Gerard Cox met zijn gewone geluk, een witte wereld.

De jaren 50 zijn helemaal geen jaren om naar terug te verlangen. Er moest geknokt worden voor betere lonen, voor betere sociale voorzieningen. Pas in de jaren 60 werd het sociale vangnet op een enigszins beschaafd niveau gebracht door de invoering van de bijstandswet, met dank aan de katholieke kerk. Die had daarvoor bij KVP-minister Marga Klompé gelobbyd om zo van de kosten voor opvang van gescheiden vrouwen af te komen. Het maakte onbedoeld de weg vrij voor vrouwenemancipatie. Mocht een vrouw in de jaren 50 nog niet een bankrekening openen en moest zij stoppen met werk als zij trouwde, nu was zij minder afhankelijk van familie of (ex-)man. En die man kon dankzij de emancipatiebewegingen in de jaren 70 uit de kast komen. Het begin van gelijkheid begon toen een beetje vorm te krijgen met nog een hele lange weg te gaan. Verlangen naar de jaren vóór 1970 getuigt van racisme en discriminatie.

Voor de portemonnee is een verlangen naar de jaren 70 begrijpelijk. De lage btw is van 4% toen naar 9% nu gegaan, de hoge btw van 12% naar 21%. De lage inkomens zagen hun loonbelasting in al die jaren met een half procent stijgen(!) naar 36,5%, modaal mocht een kleine daling van 48% naar 41% zien. Spekkoper waren uiteraard de hoge inkomens, die gingen van 72% naar 52%. Voor de bedrijven zakte de winstbelasting van 48% naar 17,5% tot 21%. De dividendbelasting is niet afgeschaft, maar daalde wel van 25% naar 15%. Helaas koos de kiezer indertijd voor Hans Wiegel, voorbeeld voor Fortuyn, Wilders en Baudet, en niet voor een tweede termijn voor Joop den Uyl.

Het verlangen naar vroeger begon met Fortuyn en zijn jaren 50, ging verder met Balkenende met diens VOC-jaren en nu vent Baudet de 19e eeuw uit. Je vindt dat verlangen als remmende factor terug in de bouw, maar ook in de geneeskunde. Vernieuwing gaat daar net zo moeizaam als de verandering van zwarte piet.

Leave a Reply

Your email address will not be published. Required fields are marked *